Diagnose
Ouders van autistische kinderen zijn meestal de eersten die merken dat er iets met hun kind aan de hand is. Zij blijken een afwijkende ontwikkeling rond het 2e jaar al vrij goed te kunnen zien.
Artsen van het consultatiebureau gebruiken de volgende signalen om te kijken of een kind misschien een van de autismespectrum-stoornissen heeft. Daarna is verder onderzoek nodig om vast te stellen of dat werkelijk zo is.
- Het kind brabbelt niet na 12 maanden.
- Het kind maakt na 12 maanden geen gebaren als wijzen of dag-zwaaien.
- Het kind zegt geen losse woordjes na 16 maanden.
- Het kind maakt geen korte zinnetjes van twee woorden na twee jaar.
Er zijn nog meer signalen die ouders vaak noemen:
- Het kind maakt geen oogcontact, glimlacht niet of bijna niet.
- Het speelt het liefst alleen; leeft in een eigen wereldje.
- Het reageert niet op zijn naam, lijkt soms doof.
- Het is druk, star, werkt weinig mee; het is overgevoelig of juist ongevoelig voor geluid en aanraken.
- Het raakt gehecht aan ongebruikelijke voorwerpen; speelt niet echt met speelgoed, maar zet het bijvoorbeeld op een lange rij.
- Het heeft typische, zich herhalende bewegingen; fladdert, loopt op de tenen.
Als de arts van het consultatiebureau of de huisarts heeft vastgesteld dat het kind geen andere aandoeningen heeft, dan wordt het doorgestuurd naar een regionaal autisme-team of een kinderpsychiatrische instelling.
Een autismespectrumstoornis wordt na kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek vastgesteld. Het onderzoek bestaat uit een aantal afspraken met het kind en de ouders. Vragenlijsten en interviews met een vaste structuur kunnen hierbij een middel zijn.
